week 14-2026: (door Mat)
‘Vanuit de zijbeuk’ is de vaste column op de zaterdag, die afwisselend wordt ingevuld door kapelaan Roger en Mat. En nu ook (vanaf zaterdag 1 november 2025) door Mw. Ronny Blok. Ze geven zo hun eigen kijk op persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen in ons dorp, binnen de kerk of in ‘de grote wereld’. De ene keer ernstig, dan puntig en uitdagend en een volgende keer met een grote knipoog.
En de boer, hij ploegt op volstrekt andere wijze voort…
Vroeger kenden bedrijven over het algemeen een breed productenpalet en bestond het personeel over het algemeen uit allrounders. Breed inzetbaar dus. Tegenwoordig is alles specialisatie, wat de klok slaat. Zowel voor product als personeel. Klein en fijn heef plaats gemaakt voor groot en sterk geautomatiseerd.
De land- en tuinbouw is daarvan een mooi voorbeeld. Een veeboer heeft tegenwoordig al snel zo’n 100 koeien en ook de gewassen op zijn veld zijn op deze specialisatie gericht: gras en maïs, De kippenhouderij is opgesplitst in opfok- en leg- en vleeskippen. Eenzelfde soort specialisatie speelt in de varkenshouderij. De ene boer is gespecialiseerd in de fokkerij en boer nr. twee is op het slachtvarken gericht. Met 5.000 varkens heb je een gemiddeld bedrijf en in de kippenhouderij is 50.000 kippen heel normaal. In de tuinderij vaak een vergelijkbaar beeld. De ene tuinder is helemaal gericht op aardbeien en de buurman verdient de kost met hectares blauwe bessen. In de hedendaagse land- en tuinbouw wordt SPECIALISATIE met hoofdletters geschreven. Als het dan door bijv. de uitbraak van een ziekte echter misgaat, gaat het ook goed mis. Dan moeten van de een op de andere dag bij de ene boer bijv. een paar duizend varkens ‘geruimd’ worden en bij de kippenboer tienduizenden kippen.
Hoe anders was dat beeld pakweg 70 jaar geleden. In mijn jeugdjaren dus. Ons dorp kende destijds een groot aantal boerenbedrijfjes, Niet gespecialiseerd, maar allemaal zgn. gemengde bedrijven. Bij ons thuis betekende dat een ‘veestapel’ van ik denk 4 koeien en een paar runderen, 15 varkens en een zeug en ik denk een paar honderd kippen. Oh ja en een trekpaard om het land te bewerken en de oogst binnen te halen. Op de grond – ik denk 6 hectare – groeide gras voor de koeien, graan, aardappelen en voeder- en suikerbieten. Mijn vader was – op kleine schaal – ook tuinder. Hij bracht zijn aardbeienoogst naar de veiling en dat gold ook voor de zwarte bessen, die hij teelde. Voor de eigen consumptie van hun grote gezin hadden vader en moeder een grote moestuin en dito boomgaard. En nagenoeg al dat werk op die boerderij gebeurde in die jaren handmatig.
Dat gold ook voor het steken van de asperges. Eigenlijk een apart hoofdstuk – en ook wel een beetje vaders trots – was dit perceel asperges aan de bosrand. Nee, niet onder plastic tunnels of ondergrondse verwarmingsbuizen. Samen met een paar ‘bevriende boeren’ had hij het eerste ‘plantgoed’ gekocht in de buurt van Breda. Al op jonge leeftijd moesten we als kinderen al een handje helpen bij de oogst daarvan: eerst met het vullen van de gaten die de steker achterliet. En weer wat later mocht je zelf ook het ‘steekmes’ hanteren. Ja en net als de koe, die op zondag gemolken mocht worden van ‘de kerk’, gold dit ook voor het steken van de asperges. Mijn hardwerkende vader had zich voor het steken van asperges op zondag vrijgesteld. Net als op andere zondagen in het jaar, ging hij ook in de aspergetijd naar de Hoogmis en daarna naar ’t café om met zijn vrienden bij te praten, een kaartje te leggen en een borrel te drinken.
Nee, het hedendaagse boerenbedrijf is – als het om schaalgrootte en de aard en aanpak van de werkzaamheden gaat – op geen enkele wijze nauwelijks meer te vergelijken met dat gemengde bedrijfje van mijn ouders aan de rand van de Peel.
Mat