‘Vanuit de zijbeuk’

week 27-2026: (door Ronny)

‘Vanuit de zijbeuk’ is de vaste column op de zaterdag, die afwisselend wordt ingevuld door kapelaan Roger Maenen en Ronny Blok. Ze geven zo hun eigen kijk op persoonlijke ervaringen (uit heden of verleden) en gebeurtenissen in ons dorp, binnen de kerk of in ‘de grote wereld’. De ene keer ernstig, dan puntig en uitdagend en een volgende keer met een grote knipoog.

Jeugdherinnering: Rechtstreeks uit de hemel

Als kind van een zeer katholiek gezin wist ik al jong dat alle  goede dingen van boven kwamen. Ik stond dan ook vaak in onze kleine tuin naar de hemel te kijken of er een engel neer wilde dalen, of er manna uit de lucht zou komen, of misschien wel Moeder Maria. Als vijfjarige werd ik daar toch een beetje in teleurgesteld. Niets van dat alles.

Wat me wel opviel waren de kraaien die in het bosje achter ons huis een paar fijne bomen gevonden hadden om in te wonen. Ze maakten nogal wat lawaai en voor de lol begon ik ze na te doen.

Ik riep hard kauw-kauw naar de vogels en na een paar dagen verscheen ze ineens. Rechtstreeks uit de hemel. Een prachtige grote zwarte kraai, die nieuwsgierig naar me loerde. De volgende dag riep ik haar weer en meteen kwam ze aangevlogen. Met ronde kraaloogjes keek ze naar me op en ze huppelde een beetje om me heen. De dag erna bewaarde ik een korstje brood en hield mijn hand op keihard roepend om Kauw-kauw. En … daar was ze weer. Meteen bij de eerste roep. Ik stak mijn hand uit en zonder aarzeling streek ze neer. Direct aanvallend op het korstje brood. Ik bekeek haar van dichtbij en bewonderde haar glanzende veren. Zij – ik nam gewoon aan dat het een zij was – bekeek me ook van dichtbij. Ze koos een plekje op mijn schouder. Liefkozend streek ze met haar snavel door mijn haren.

Vanaf die dag waren we dikke vrienden en kwam ze elke dag naar me toe. Slechts één keer hoefde ik Kauw-kauw te roepen en ze was er gewoon. Naast korstjes brood verzamelde ik ook kleine stukjes kaas en ik bood haar een appel aan die we in overvloed uit de boomgaard konden plukken. Maar … de kaas vond ze lekker, het brood at ze ook, maar de appel was in eerste instantie niet echt favoriet. Tot ik er zelf een hap van nam en ze er enthousiast in begon mee te pikken.

Mijn broers en zussen waren wel wat jaloers op mijn succes met Kauw-kauw. Broer Jacques riep haar ook, maar Kauw-kauw reageerde niet. Ook pogingen van mijn oudere zussen liepen spaak. Kauw-kauw was van mij en van niemand anders.

We ontwikkelden een nauwe band. Ik vertelde Kauw-kauw over mijn successen, maar ook over mijn mislukkingen. Vol begrip keek ze me aan en als ik verdrietig was woelde ze geruststellend door mijn haren. Ik vroeg haar of ze uit de hemel kwam, maar Kauw-kauw kon wel kauwen, maar niet echt praten. Ik was er echter van overtuigd dat er iets goddelijks met haar aan de hand was.

Twee jaar lang was ze er elke dag als ik uit school kwam. Maar opeens werd mijn roep niet meer beantwoord. Ik was inmiddels zeven jaar, ging naar de basisschool en begreep niet waar Kauw-kauw gebleven kon zijn. Mijn moeder probeerde uit te leggen dat vogels niet zo lang leefden als mensen, maar ik kon nog niet opgeven. Elke dag riep ik haar en na twee weken zat ze gewoon weer op het tuinhek op me te wachten. Wat verdrietig kauwend vertelde ze me dat ze haar poot bezeerd had. Ik zag een rare kronkeling en vroeg mijn moeder of ze Kauw-kauw mee wilde nemen naar het ziekenhuis. Misschien moest er wel gips … Maar … helaas … moeder vond het niet nodig en zei dat dieren na een verwonding, òf dood gingen òf herstelden. Ik bad voor genezing en de Goede God verhoorde dat gebed. Kauw-kauw bedankte me uitbundig door extra lang bij me te blijven. Toen ik voorstelde dat ze het Wees Gegroet met mij zou bidden kauwde ze enthousiast mee, ondertussen heel wat haren uittrekkend omdat ze mijn haren kennelijk erg leuk vond.

Is er ook een dierenhemel vroeg ik mijn vader. Mijn vader dacht dat dat er niet in zat voor Kauw-kauw, maar toen hij zag hoe verdrietig dat me maakte verzon hij een verhaal over geestelijke verbondenheid en toewijding, waar ik als zevenjarige meteen in meeging. Zolang jij aan haar denkt bestaat ze toch! vond mijn vader.

En opnieuw was Kauw-kauw een tijdje niet aanwezig. Trots kwam ze met een kleine kauw-kauw na een paar weken weer tevoorschijn. De kleine was niet meteen mijn vriend. Zij of hij bleef op afstand en staarde wat wantrouwend naar de interactie tussen Kauw-kauw en mij. Opnieuw raadpleegde ik mijn vader. Moest de kleine niet gedoopt worden?

Mijn vader had geen antwoorden meer. Dieren horen niet in de hemel en worden niet gedoopt. Maar … redeneerde ik: ze komen toch rechtstreeks uit de hemel? Mensen zijn hoger geplaatst dan dieren antwoordde hij wat korzelig. Dieren kunnen niet praten … En ze hebben geen verstand. In die laatste opmerking kon ik niet helemaal meegaan. Kauw-kauw kon inderdaad niet praten, maar wèl communiceren en ze begreep me vaak heel goed. Ze was ook heel lief. Ze bracht cadeautjes voor me mee: een stukje zilverpapier of zelfs af en toe een stukje worm.

Kauw-kauw bleef bij me tot mijn tiende jaar. Toen was ze op een dag verdwenen … en bleef ze verdwenen. Een groot gemis: mijn vriendin uit de hemel! Maar nu meer dan zeventig jaar later denk ik nog steeds aan haar en – al heeft ze dan misschien geen ziel – ze zit ingemetseld in de mijne.

Ronny Blok

0

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

loader